beardiesheader0

F.C.I.Standaard

FCI-Standard N° 271 BEARDED COLLIE ©M.Davidson, illustr. NKU Picture Library FCI-St. N° 271 / 12.05.2015 2 ORIGIN: Great-Britain. DATE OF PUBLICATION OF THE OFFICIAL VALID STANDARD: 03.11.2014. UTILIZATION: Sheepdog & companion. FCI-CLASSIFICATION: Group 1 Sheepdogs and Cattle Dogs (except Swiss Cattle Dogs). Section 1 Sheepdogs. Without working trial. BRIEF HISTORICAL SUMMARY: There is mention of a breed resembling the Bearded Collie in Scottish records dating back to around the sixteenth century. He has long been known in Scotland and Northern England where he was bred for herding sheep. Some five hundred years ago dogs, which were also said to be the forerunners of the Polish Lowland Sheepdog were abandoned on the shores of Scotland and these bred with native herding dogs. A look at the Polish Lowland will show similarities. But the Bearded Collie as we know it today owes most of what we have to G Olive Willison who, in the 1940s, came into possession of a Beardie puppy called Jeannie. After searching she found a mate for Jeannie, a dog called Bailey, and her Bothkennar kennels set the mould for today’s Bearded Collies. GENERAL APPEARANCE: Lean, active dog. Though strongly made, should show plenty of daylight under body and should not look too heavy. Bright, enquiring expression is a distinctive feature. IMPORTANT PROPORTIONS: Longer than it is high in an approximate proportion of 5 to 4 measured from point of chest to point of buttock. Bitches may be slightly longer. Distance between stop and occiput should be equal to width between orifices of ears. FCI-St. N° 271 / 12.05.2015 3 BEHAVIOUR/TEMPERAMENT: Alert, lively, self-confident and active. Steady, intelligent working dog, with no signs of nervousness or aggression. HEAD: In proportion to size. Whole effect being that of a dog with strength of muzzle and plenty of brain room. CRANIAL REGION: Skull: Broad, flat and square. Stop: Moderate. FACIAL REGION: Nose: Large and square, generally black but normally following coat colour in blues and browns. Nose of solid colour without spots or patches. Muzzle: Strong and equal in length to distance between stop and occiput. Lips: Of solid colour without spots or patches. Pigmentation follows nose colour. Jaws/teeth: Teeth large and white. Jaws strong with a perfect, regular and complete scissor bite preferred, i.e. upper teeth closely overlapping lower teeth and set square to the jaws. Level bite tolerated but undesirable. Eyes: Toning with coat colour, set widely apart and large, soft and affectionate, not protruding. Pigmentation of eye rims follows nose colour. Eyebrows arched up and forward but not so long as to obscure eyes. Ears: Of medium size and drooping. When alert, ears lift at base, level with, but not above top of skull, increasing apparent breadth of skull. NECK: Moderate length, muscular and slightly arched. BODY : Length of back comes from length of rib cage and not that of loin. Back : Level. Loin : Strong. FCI-St. N° 271 / 12.05.2015 4 Chest : Deep, giving plenty of heart and lung room. Ribs well sprung but not barrelled. TAIL: Set low, without kink or twist and long enough for end of bone to reach at least point of hock. Carried low with an upward swirl at tip whilst standing or walking, may be extended at speed. Never carried over back. Covered with abundant hair. LIMBS FOREQUARTERS: General appearance: Legs straight and vertical with good bone, covered with shaggy hair all round. Shoulder: Sloping well back. Metacarpus (Pastern): Flexible without weakness. Forefeet: Oval with soles well padded. Toes arched and close together, well covered with hair, including between pads. HINDQUARTERS: General appearance: Well muscled. Stifle (Knee): Well bent Lower thigh: Good. Hock joint: Low. Metatarsus (Rear pastern): Lower leg falls at right angle to ground and, in normal stance, is just behind a line vertically below point of buttock. Hind feet: Oval with soles well padded. Toes arched and close together, well covered with hair, including between pads. GAIT/MOVEMENT: Supple, smooth and long-reaching, covering ground with minimum of effort. COAT Hair: Double with soft, furry and close undercoat. Outer coat flat, harsh, strong and shaggy, free from woolliness and curl, though slight wave permissible. FCI-St. N° 271 / 12.05.2015 5 Length and density of hair sufficient to provide a protective coat and to enhance shape of dog, but not enough to obscure natural lines of body. Coat must not be trimmed in any way. Bridge of nose sparsely covered with hair slightly longer on side just to cover lips. From cheeks, lower lips and under chin, coat increases in length towards chest, forming typical beard. Colour: Slate grey, reddish-fawn, black, blue, all shades of grey, brown and sandy with or without white markings. Never merle/dapple. When white occurs it appears on foreface, as a blaze on skull, on tip of tail, on chest, legs and feet and, if round the collar, roots of white hair should not extend behind shoulder. White should not appear above hocks on outside of hindlegs. Slight tan markings are acceptable on eyebrows, inside ears, on cheeks, under root of tail and on legs where white joins main colour. SIZE AND WEIGHT: Ideal height at withers: Males 53– 56cm. Females 51–53 cm. Overall quality and proportions should be considered before size but excessive variations from the ideal height should be discouraged. FAULTS: Any departure from the foregoing points should be considered a fault and the seriousness with which the fault should be regarded should be in exact proportion to its degree and its effect upon the health and welfare of the dog and its ability to perform its traditional work. DISQUALIFYING FAULTS : • Aggressive or overly shy dogs. • Any dog clearly showing physical or behavioural abnormalities shall be disqualified. FCI-St. N° 271 / 12.05.2015 6 N.B.: • Male animals should have two apparently normal testicles fully descended into the scrotum. • Only functionally and clinically healthy dogs, with breed typical conformation, should be used for breeding. The latest amendments are in bold characters.

Raskenmerken voor de Bearded Collie

Aangenomen door de Algemene Vergadering van de FCI
gehouden op 23 en 24 juni 1987 in Jeruzalem

Algemene verschijning

Een slanke, actieve hond, langer dan hij hoog is, in de verhouding van ongeveer 5:4. Hoogte gemeten vanaf de schoft, lengte vanaf de borst tot het zitbeen. Teven mogen iets langer zijn. De hond moet, hoewel stevig gebouwd, voldoende daglicht onder het lichaam laten zien en mag niet te zwaar gebouwd tonen. Een levendige onderzoekende uitdrukking is een onderscheidend kenmerk van dit ras.

Karakteristieken

Attent, levendig, vol zelfvertrouwen en actief.

Temperament

Een evenwichtige, intelligente werkhond, zonder enige tekenen van nervositeit of agressie.

Hoofd

Het hoofd moet in verhouding zijn met de rest van het lichaam. De schedel is breed, vlak en vierkant. De afstand tussen stop en occiput (jachtknobbel) is hetzelfde als die tussen de ooropeningen. Voorsnuit sterk en even lang als de afstand tussen stop en occiput; het geheel geeft een effect van een hond met sterke voorsnuit en ruim voldoende ruimte voor de hersenen. De stop moet matig diep zijn, neusspiegel is groot en vierkant, meestal zwart, maar zich aanpassend aan de vachtkleur van blauwe en bruine honden. Neus en lippen effen gekleurd, zonder vlekken of stippen. De kleur van lippen en oogranden moet hetzelfde zijn als die van de neus.

Ogen

Oogkleur moet harmoniëren met de kleur van de vacht. De ogen moeten wijd uiteen staan en groot, zachtmoedig en vriendelijk zijn, maar niet uitpuilen. Wenkbrauwharen groeien naar boven en buigen dan naar voren, maar mogen niet zo lang zijn dat ze de ogen bedekken.

Oren

Middelmatig lang en hangend. Wanneer de hond attent is, worden zij aan de basis opgetrokken tot gelijke hoogte als de schedel, maar niet erboven, zo de breedte van de schedel schijnbaar vergrotend.

Mond

Tanden en kiezen zijn groot en wit. Sterke kaken met een perfect, regelmatig en volledig schaargebit, dat wil zeggen dat de snijtanden van de bovenkaak precies van die van de onderkaak staan en dat de tanden recht in de kaak geplaatst zijn. Tanggebit is toegestaan maar ongewenst.

Hals

Hals van gemiddelde lengte, gespierd en licht gebogen.

Voorhand

Schouderbladen moeten goed schuin naar achteren liggen. De voorbenen moeten recht zijn, loodrecht staan en goed bot hebben. Rondom bedekt met ruig haar. Middenvoet moet soepel zijn, doch mag geen zwakte vertonen.

Lichaam

De lengte van de rug moet komen van de lengte van de ribbenkast en niet van de lendenen. De rug recht. Ribben goed gewelfd bij de aanzet, maar niet tonvormig. Lendenen sterk, borst diep om zo voldoende ruimte te geven voor hart en longen.

Achterhand

Goed gespierd met goede tweede dijen. Goed gebogen kniegewrichten en lage hakken. De middenvoet op de grond en in normale stand juist achter de loodlijn vanaf het zitbeen getrokken.

Voeten

Ovaal van vorm met sterke voetzolen. De tenen zijn gebogen en liggen dicht tegen elkaar. Goed behaard, ook tussen de teenkussens.

Staart

Laag aangezet, zonder haak of krul, en lang genoeg om met de laatste wervel tenminste de punt van de hak te raken. Laag gedragen met aan het eind een opwaartse buiging bij het staan of lopen; bij grotere snelheid mag de staart hoger gedragen worden, echter nooit over de rug. Overvloedig behaard.

Gangen

Het gangwerk moet soepel, vloeiend en goed uitgrijpend zijn en met een minimum aan inspanning veel grond beslaan.

Vacht

Dubbel met een dichte, zachte, wollige ondervacht. Bovenvacht recht, hard en ruig, niet wollig en zonder krul, al is een lichte slag toegestaan. De lengte en de dichtheid van het haar moet voldoende zijn om een beschermende vacht te vormen en de belijning van de hond te doen uitkomen zonder dat de vacht de lijnen van het lichaam verdoezelt. De vacht mag op geen enkele wijze worden getrimd. De neusrug moet spaarzaam bedekt zijn met haar, dat aan de zijkant iets langer mag zijn om juist de lippen te bedekken. Vanaf de wangen, de onderlippen en vanonder de kin wordt de vacht naar de borst toe steeds langer en vormt zo de typische baard.

Kleur

Leikleurig, alle schakeringen van grijs, roodachtig bruin, zwart, blauw, bruin en zandkleurig met of zonder witte aftekeningen. Als de hond wit heeft, dan alleen op de voorsnuit, als bles op de schedel, aan de staartpunt, op de borst, benen en voeten, indien aan de hals dan niet achter de schouder, uitgaande van de inplanting. Ook geen wit boven de hakken aan de buitenzijde van de achterbenen. Enige tan-aftekening is toegestaan op de wenkbrauwen, aan de binnenkant van de oren, op de wangen, onder de staartaanzet en op de benen tussen de hoofdkleur en het wit.

Maten

Ideale maat voor reuen 53-56 cm (21-22 inch), voor teven 51-53 cm (20-21 inch). Algehele kwaliteit en lichaamsverhoudingen zijn belangrijker dan de maat, maar een te grote afwijking van de maat moet niet worden aangemoedigd.

Fouten

Elke afwijking van de voorgaande punten dient als fout beschouwd te worden. De wijze waarop deze wordt aangerekend moet nauwkeurig worden afgemeten aan de mate waarin de fout aanwezig is.

Nota bene

Reuen moeten 2 normale teelballen hebben die volledig in het scrotum zijn ingedaald.

Afdrukken E-mail